Lasrookafzuiging: nog strengere regels op komst?
Selectie van juiste oplossing samenspel van meerdere factoren
Lasrookafzuiging is allereerst in het belang van de lassers zelf. Zij moeten immers beschermd worden tegen de schadelijke stoffen die vrijkomen via lasrook. Maar ook bij robot- of cobotlassen is een goede lasrookafzuiging belangrijk. Ter bescherming van medewerkers elders in de werkplaats. Als het aan de EU ligt, worden de regels fors strenger de komende jaren. Bij investeringen is het slim daar al rekening mee te houden, ook al zijn de nieuwe regels nog niet definitief.
Lasrook inademen is schadelijk voor de gezondheid. Daarom worden al jaren eisen gesteld aan de maximale waarde in de ademzone van de lasser. Deze eisen zijn niet in elk land hetzelfde. België en Nederland verschillen bijvoorbeeld al een factor 5 wat deze vroegere MAC-waarde betreft (België hanteert een grenswaarde van 5 mg/m³; Nederland sinds 2010 van 1 mg/m³, gerekend over een werkdag van 8 uren). In Duitsland ligt deze waarde op 1,25 mg/m³.
EU scherpt de eisen aan
Begin 2025 heeft de Europese Unie de regels aangescherpt. Zo is in januari de hoeveelheid zeswaardig chroom (Chroom 6) die vrij mag komen bij het lassen van roestvast staal verlaagd met een factor 5. Als bindende grenswaarde in de EU-landen geldt nu 0,005 mg/m³ (uitgedrukt als Cr). Voor die tijd was de maximale waarde 0,025 mg/m³ specifiek voor las-, snij- en plasmasnijwerkzaamheden met rookontwikkeling (en 0,010 mg/m³ voor overige Chroom(VI)-toepassingen), als overgangswaarde geldig tot en met 17 januari 2025. Dit verplicht lasbedrijven die roestvast staal lassen tot aanvullende maatregelen; de emissie bij de bron moet strenger worden aangepakt.
Eind 2025 zijn de 27 EU-landen het binnen de Raad van de Europese Unie eens geworden over het aanscherpen van de Europese CMR-richtlijn. Ze hebben een gezamenlijk standpunt geformuleerd. Deze richtlijn stelt eisen aan het gebruik van carcinogene, mutagene en reprotoxische stoffen (CMR). Voor het eerst bestempelt de Raad van de Europese Unie in de positie voor de 6e CMR-richtlijn lasrook als kankerverwekkend.
De Raad heeft lasrook toegevoegd aan Bijlage 1 van de CMR Richtlijn, zoals de Europese Commissie had gevraagd. Het is voor het eerst dat een proces in Bijlage 1 wordt opgenomen dat mogelijk reprotoxische effecten kan hebben. De EU verwacht hiervan een groot positief effect op de gezondheid van werknemers: op een termijn van 40 jaar zouden circa 1.700 gevallen van longkanker en 19.000 andere ziektegevallen voorkomen worden.
Grote gevolgen
Op 23 juni 2026 zijn de Raad en het Europees Parlement tot een voorlopig politiek akkoord (triloogakkoord) gekomen over de definitieve tekst. Dit akkoord moet nog juridisch-taalkundig worden afgerond en formeel worden goedgekeurd door beide instellingen voordat de richtlijn in het Publicatieblad van de EU wordt gepubliceerd en in werking treedt. De waarschijnlijkheid dat de voorstellen omgezet worden in wetgeving is aanzienlijk groter geworden.
Afhankelijk van de exacte formulering kan dit verstrekkende gevolgen hebben voor de metaalindustrie. Tot nog toe richt de wetgeving zich op de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in lasrook; voor het eerst wil men nu lasrook en hiermee het lasproces zelf als kankerverwekkend bestempelen. Niet alleen als het om het lassen van roestvast staal gaat, ook om staal, aluminium en andere materialen.
Als dit zo in de wetgeving terechtkomt, gaan er veel strengere eisen voor de veiligheid op de laswerkplek gelden. Zo geldt dan het substitutie mechanisme: men moet aantonen dat lassen noodzakelijk is en niet vervangen kan worden door een andere verbindingstechniek. Verder moeten werkgevers in de risico-inventarisatie (RI&E) gedetailleerd de blootstelling aan lasrook in kaart brengen, inclusief concentraties in de ademzone. Tot slot geldt dan elke vorm van lasrook onder de strengere CMR-regels, ook het lassen van staal en aluminium.
Deze nieuwe eisen zijn nog niet van kracht; er moet nog een formele stemming in de Raad voor Europa en het Europees Parlement plaatsvinden, waarna de richtlijn 20 dagen na publicatie in werking treedt. Nederland en België hebben (net als de andere lidstaten) dan in principe twee jaar de tijd om de richtlijn om te zetten in nationale wetgeving.
Lasrook vermijden
De meest rigoureuze maatregel is zorgen dat er geen of in elk geval veel minder lasrook ontstaat. Sommige fabrikanten waarschuwen dat met deze toekomstige normen er niet langer MIG- of MAG-gelast kan worden, omdat bij het lichtbooglassen metaaldamp en lasrook onvermijdelijk zijn.
Technisch zijn er immers nog geen alternatieve toevoegmaterialen en hulpstoffen beschikbaar die het ontstaan van lasrook sterk reduceren. Soms denken bedrijven er wel aan om de lasparameters of toevoegmaterialen aan te passen om zo invloed te krijgen op de hoeveelheid lasrook die ontstaat. Deze strategie is niet zonder risico en al helemaal niet bij gecertificeerde lasprocessen. Dan is immers tot in detail het proces beschreven. Hiermee moet men dus oppassen omdat de balans tussen instellingen van de lasbron en de lasdraad gevoelig is voor veranderingen. Bij niet-gecertificeerde lasprocessen kan men eventueel wel proberen met aanpassing van het procesgas de vorming van lasrook te verminderen, mits de kwaliteit van de verbinding goed blijft.
Bij MAG-lassen (het meest voorkomend proces van alle lichtbooglasprocessen) leidt een hoger CO2 gehalte in het gas tot meer metaaldamp. En metaaldamp is de belangrijkste bron voor lasrookemissie. Het CO2-gehalte verlagen zou dus kunnen helpen. Een hoger argongehalte in het beschermgas helpt bij impulslassen met massieve draad voor een reductie van lasrook. Een andere bronmaatregel is het verwijderen van oppervlakteverontreinigingen op de te lassen producten.
Ingrijpende gevolgen voor lassen
In de praktijk zijn bedrijven voor de bescherming van medewerkers vooral aangewezen op een goede lasrookafzuiging, naast persoonlijke beschermingsmiddelen, bijvoorbeeld een overdrukhelm. Hiermee moet men voorkomen dat de lasrook in de buurt komt van het ademzone van de lasser of een van de andere werknemers. Ook gaan er dan striktere eisen gelden voor recirculatie. In principe mag de afgezogen lucht niet meer terug te hal in worden geblazen, mits de afzuiginstallatie voorzien is van de hoogste certificeringen.
Als de nieuwe Europese plannen worden omgezet in strengere wetgeving, krijgen alle metaalbedrijven die lassen, hiermee te maken. Dat is belangrijk om mee te nemen in investeringsplannen voor korte en middellange termijn. Om op zeker te spelen zou men niet meer voor halventilatie moeten kiezen maar voor gecertificeerde afzuiging aan de lasbron. De Nederlandse arbeidsinspectie heeft de regels voor recirculatie dit jaar al strenger gemaakt en vastgelegd in de Werkinstructie Lasrook (versie mei 2026). Hergebruik van gefilterde lucht om energie te besparen mag bij kankerverwekkende stoffen, zoals Chroom 6 in lasrook, alleen nog onder strikte voorwaarden en met gecertifieerde filters. Daarnaast handhaaft de Arbeidsinspectie strikter de regels rond bronafzuiging. Als deze technisch mogelijk is, moet de werkgever deze toepassen, ook al haalt men de limiet met halafzuiging. Deze regels gelden alleen voor Nederland. De Belgische of Europese regelgeving zeggen hier niets over.
Invloedfactoren op selectie maatregelen
De selectie van het juiste afzuigsysteem hangt af van tal van factoren: hoeveel lassers zijn er, welk lasproces gebruiken ze, wat is het toevoegmateriaal en hoeveel uren op een dag wordt er gelast? Lassen ze altijd op dezelfde plek in de werkplaats of varieert dit? En hoe groot zijn de werkstukken? Zijn er dan naast de lassers nog andere medewerkers in de ruimte aanwezig? Al deze zaken hebben invloed op wat de beste oplossing is. Daarbij heeft men de keuze uit centraal systeem boven de laswerkplaats; een laagvacuümsysteem, een hoogvacuümsysteem of een afzuigsysteem dat in de lastoorts geïntegreerd is.
Geïntegreerd in lastoorts
De strenger wordende wetgeving gaat er waarschijnlijk toe leiden dat bronafscheiding in veel situaties de norm wordt. Bij een aantal bedrijven gebeurt dit via de lastoorts met geïntegreerde afzuiging. Een ideale oplossing lijkt het, omdat deze zich niet alleen dicht bij de bron bevindt maar ook altijd in de ideale positie. Om een voldoende grote luchtstroom te genereren moet er bij afzuiging via de lastoorts een behoorlijke onderdruk zijn. En dat vergroot de kans dat naast de lasrook ook het menggas mee afgezogen wordt. En dit wil men juist niet.
Belangrijk is daarom de juiste volumestroom. De voorbije jaren zijn deze geïntegreerde systemen geoptimaliseerd, waardoor de werkingsgraad voor de nieuwste apparaten oploopt tot 95% en meer. In de DIN EN ISO 21904-1 en -4 worden de eisen waaraan een goede lastoortsafzuiging moet voldoen, uitgelegd. De keuze voor een dergelijk systeem hangt sterk af van de lasser: accepteert deze de oplossing?
Lange tijd is er grote aarzeling geweest omdat men het gewicht van zo’n lastoorts (die immers zwaarder is) een te groot nadeel vond. Recent onderzoek door een Duitse universiteit in samenwerking met een fabrikant van dergelijke lastoortsen wijst uit dat een toorts met geïntegreerde afzuiging dankzij de gerealiseerde gewichtsreductie geen hogere fysieke belasting voor de lasser veroorzaakt.
Laag- en hoogvacuüm
Met lastoortsafzuiging zuigt men gemiddeld 100 tot 180 m³ lucht per uur af. Dat is een factor 2 tot 3 geringer dan met een hoogvacuümafzuigarm, die zich doorgaans zo’n 15 centimeter boven de lasnaad bevindt, of een laagvacuümafzuigarm, die 30 tot 40 centimeter boven de las staat.
Het voordeel van deze armen is dat niet alleen de directe lasrook wordt afgevoerd, maar ook de rook die in tweede instantie vrijkomt. De grootste volumestroom ontstaat bij laagvacuümpuntafzuiging. Deze bevindt zich meestal 30 tot 40 centimeter boven de las en zuigt per uur 800 tot 1.000 m³ lucht af (tegen 100 tot 150 bij een hoogvacuümafzuigarm). Deze volumestromen moeten regelmatig gemeten worden om te controleren of het systeem nog goed functioneert.
Het voordeel van deze afzuigarmen is dat er geen risico bestaat om beschermgas mee af te zuigen. Ook hier ligt het percentage lasrook dat afgezogen wordt hoog en voorkomt men dat de lasser iets inademt. Het gebruik van deze afzuigarmen vergt wel dat de positionering tijdens het lassen regelmatig wordt aangepast. Dit is de achilleshiel van een dergelijk systeem.
De lasser moet de afzuiging handmatig verplaatsen tijdens het lassen omdat anders onvoldoende de lasrook wordt afgezogen. Praktisch leent laagvacuümbronafzuiging zich voor korte lasnaden, omdat de afzuigarm dan niet verplaatst hoeft te worden. In de Belgische laswereld worden vaak laagvacuümsystemen vaak gecombineerd met ventilatie van de totale ruimte.
Lasrook bij robotlascellen
Hoewel niet iedereen er direct bij stilstaat, is afzuiging van lasrook ook belangrijk bij robotlassen en het groeiend aantal lasplekken waar een cobot staat. Als de rook immers de ruimte ingaat waar anderen werken, kunnen deze er alsnog schade van ondervinden. Gestimuleerd door de forse vraag, hebben meerdere fabrikanten specifieke oplossingen op de markt gebracht voor het afzuigen van lasrook op een cobot. Deze worden tegenwoordig op de cobotarm geplaatst en bewegen mee.
Daarnaast ziet men een groeiend aantal toepassingen van sensoren (Smart Fume Extraction) die de zuigkracht automatisch aanpassen aan de hand van de gemeten stofconcentratie, CO2-waarde en deeltjesgrootte in de lasrook. Dit leidt tot energiebesparing zonder de effectiviteit van de afzuiging te beïnvloeden. Men ziet ook sensoren op de lasapparaten zelf die afzuigklep automatisch dicht zeten en de ventilator op een lager toerental laten draaien zodra de lasser stopt met lassen. Energiebesparing blijft namelijk een thema, naast het effectief afzuigen van de lasrook.